Brugklaskamp

De voorste plekken in de bus zijn al bezet. In het midden is het rustiger, en op de achterste rij zitten de jongens van 1C. Ze gooien M&M’s naar de meisjes voor hen. Zonder mijn voeten op te tillen schuifel ik door het gangpad, ik houd de schouderbanden van mijn rugtas stevig vast. Er zijn nog een paar lege plekken naast enkele meiden uit mijn klas, maar ze ontwijken mijn blik wanneer ik die van hen zoek. Iets opgewipt reiken ze met hun dunne lijven naar voren, hun handen op de stoel voor ze, turend naar buiten, naar de deur, op zoek naar degene die naast ze komt zitten, op zoek naar iemand anders dan ik. Ik durf niet op die lege stoelen te gaan zitten, te bang voor de teleurstelling op hun gezicht wanneer ze beseffen dat ze de hele rit naast mij moeten zitten. Ik loop door, nog langzamer, om ze zoveel mogelijk tijd te geven zich te bedenken, hopend dat ik iemand hoor zeggen hier Linda, hier is nog plek, hier kun je zitten, naast mij, kom. Stap voor stap ga ik verder over dat lange gangpad tot ik bij een lege tweezits aankom, daar laat ik mij aan de raamkant in de stoel zakken. Mijn rugzak houd ik op schoot om de plek naast mij vrij te houden. De tas zit zo vol dat de rits aan de naden trekt. Mama heeft me van alles meegegeven, blikjes drinken, chocolade, toffees. Om te delen, voegde ze er aan toe toen ik alles inpakte. Ik bevrijd al dat eten en drinken en stal het uit op het plankje van de stoel voor me – misschien dat er dan iemand naast me komt zitten, ik zou het niet erg vinden, als het ze daarom ging. De meiden die langslopen zien mijn offer niet eens, ze zijn te druk met hun stoelendans, met de plek die ze willen, nee moeten, bemachtigen, die naast het juiste meisje, die voor en achter de juiste jongens.
            Ondertussen raakt de bus steeds voller, onrustiger, om mij heen woedt een orkaan van hoge geluiden, snoepjes en propjes, ik zit er middenin, in het oog, daar waar het stil is en niets gebeurt. Een leraar pakt de microfoon, doet hij het, horen jullie mij, de bus praat door, we vertrekken bijna, gejoel uit de bus, we wachten nog op één iemand. Hoofden draaien en zoeken, verbazing, wie mist er, bewondering, wie durft er te laat te komen? Ik doe niet mee, ik richt me op de stoelen, tel, en realiseer me dat er alleen naast mij nog plek is.
            ‘Lars…’ fluistert de bus.
            Dan kijk ook ik naar buiten. Heel rustig komt Lars aanlopen, zijn gezicht ontspannen, alsof hij ruim op tijd is en er niet 87 leerlingen door de nu al licht beslagen ramen naar hem kijken. Of misschien is hij het gewend, dat iedereen naar hem kijkt. Hij is de jongen die zonder woorden bepaalt welke leraar oké is, welke muziek geluisterd wordt en waar de meisjes in de pauze zitten. Hem hebben ze uitgekozen om het hele jaar achteraan te lopen, op een paar meter afstand, nooit echt dichtbij, fluisterend en giechelend. Ze doen het allemaal, iedereen, behalve ik. Ik wil wel. Durf niet. Het zou te veel opvallen als ik hem zou volgen, zonder de beschermende vermomming van een groepje.
            Lars draagt zijn bekende rode trui, nooit een jas, in zijn oren prijken de oordopjes van zijn mp3-speler. Zijn wijde spijkerbroek, rafelend, sleept over de grond en verbergt zijn schoenen. Als hij bij de bus aankomt laat hij zijn weekendtas achter op de stoep en stapt in zonder te kijken of de buschauffeur, of een leraar, zijn spullen in het laadruim stopt. Hij glijdt door het gangpad, handen in zijn broekzakken, blik op de grond gericht, zijn hoofd knikt op het ritme van zijn muziek. Ik voel me steeds ongemakkelijker worden, met die enige lege plek naast me, ik wil niet zien dat Lars ontdekt dat hij naast mij moet zitten, die hele reis, ik wil opstaan, weglopen, ik weet niet waarheen, verdwijnen desnoods. Ik hoor de meisjes overleggen, discussiëren, over wie er naast Lars mag zitten, over wie er opgeofferd wordt, wie naast mij moet zitten om een plek vrij te maken voor Lars. Ik durf niet naar hem te kijken, doe dat toch, vanuit mijn ooghoeken, de rugzak op mijn schoot vastgrijpend als een reddingsboei, hoe dichterbij Lars komt, hoe harder ik de tas tegen mijn lichaam aanklem. Als hij bij mijn stoel is aangekomen, staat hij stil. Ik wil opstaan, het moment voor zijn waarop hij vraagt of ik ergens anders wil gaan zitten. Dat doet hij niet. Voordat ik mijn mond open kan doen is hij al op de stoel naast me neergezakt. De bus siddert van verbazing, de bus zoemt van teleurstelling, maar die geluiden worden voor mij al snel overstemd door het startende ronken van de motor, de leraar die in de microfoon mompelt, en door Lars, die zonder iets te zeggen zijn linkeroortje in mijn oor stopt en zijn ogen sluit. Ik durf me niet te bewegen, de hele reis niet meer, te bang dat het oordopje uit mijn oor valt, de muziek stopt, de stoelendans verdergaat en ik op zoek moet naar een nieuwe plek.

Dit verhaal delen?
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

One Comment on “Stoelendans

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *