Haar mond stond een beetje open. Aan de binnenkant glansden haar lippen, de buitenranden waren schraal. Op dat moment durfde Bram nog met geveinsde branie te denken ‘die moeten nodig gezoend worden’. Hij stond tegenover Esther. Tussen hen in was zeker een halve meter afstand. Beiden leunden ze met één schouder tegen de muur die de jongens- van de meisjes-W.C. scheidde, precies achter een brede paal, verstopt voor klasgenoten, hoog op de derde verdieping van school. Ze keken elkaar aan, en weer weg, overal behalve naar elkaar, en toen ze elkaar in een schaars moment gevonden hadden, zag hij dat ze subtiel met haar tong over haar droge lippen ging en dat ze haar onderste lip naar binnen zoog en zachtjes op één van de velletjes beet om hem los te trekken. Een druppel bloed bleef achter. Voor hij het wist, stak hij zijn hand naar voren, of werkelijk alleen zijn wijsvinger, de rest van de vingers zat veilig verstopt in een vuist. Hij veegde de druppel weg, raakte haar lip nauwelijks aan en trok de verkennende hand daarna snel weer terug. Haar ogen vergrootten zich een moment, uit schrik, zij had de aanraking zo plotseling ook nog niet verwacht. Daarna sloot ze haar ogen, hij las de uitnodiging, de afwachting, en haar besluit dat dit het moment moest zijn.
                Na een paar seconden van twijfel, duwde hij zich los van de muur en boog voorzichtig naar voren. Haar zoete fruitige geur maskeerde lichtjes zijn eigen zweetlucht die hij wanhopig probeerde te negeren. Hij bewoog steeds meer naar haar toe, met alleen zijn bovenlijf, zijn voeten bleven staan, en hij vroeg zich af hoe ver hij op die manier door kon gaan zonder om te vallen of als een veer terug te schieten. Esther hield haar ogen gesloten en tuitte haar lippen – of wilde hij dat zien? Een zwart gaatje scheidde haar bovenlip van haar onderlip, die iets meer naar voren stak en waarop zich opnieuw een rode druppel vormde. Nu moest hij het doen, die laatste centimeters overbruggen, hij stuurde zijn mond de goede kant op, het zwarte gaatje werd een gat, hij zag haar tong liggen, verstarde, bewoog weer een stuk naar achteren terwijl zijn hart stevig in het gootje tussen zijn sleutelbeenderen klopte. Hij probeerde het nog een keer. Esther opende haar ogen al voordat hij in de buurt kwam, en hij schoot – inderdaad – als een veer terug. Haar lippen krulden naar binnen, als een slak terug in het huisje – haar mond was dus wel degelijk getuit. Vertwijfeld stapte hij naar voren tot zijn neus bijna de hare raakte. Ze wendde haar gezicht af en sloeg haar amen om haar lichaam.
                Hij had te lang gewacht. Om haar teleurgestelde gezicht niet te hoeven zien, draaide hij zich om en liep weg, richting de trap, hij denderde naar beneden, sloeg steeds een trede over. Halverwege kwam hij zijn klasgenoot Mark tegen die naar boven liep. ‘Hey Bram,’ riep hij. Hij negeerde het en rende door.

De aula in. Zijn vrienden zaten aan één van de ronde tafels. Terwijl hij hun kant op liep zag hij op hun gezichten diezelfde verwachtingsvolle blik die Esther een paar minuten geleden had gehad. Hij was degene die het zou doen, als eerste, hij was degene die de eer van de groep hoog zou houden, of zou redden, omdat ze vonden dat ze als derdeklassers al veel te laat waren. Nauwelijks merkbaar schudde hij zijn hoofd, zijn vrienden begrepen het en knikten, teleurgesteld, weer net als Esther. Er was geen stoel meer voor hem vrij en hij bleef om de groep heen staan terwijl zij verder aten van hun in de kantine gekochte hotdogs. De boterhammen van thuis lagen in ongeopende zakjes voor hen op tafel. Hij staarde dan weer naar die broodjes, dan weer zocht hij Esther in de aula, hopend op een hint naar herkansing. Waar was ze? Zij moest ook lunchen, zij had ook haar groep met verwachtingen. Hij zocht ze op, die zeven meisjes, ze schoven ongeduldig op hun stoelen heen en weer, hingen laag over de tafel, giechelend, hoofden bij elkaar, monden bij oren, handen op liggende armen. Ze wisten het nog niet, ze speculeerden.
                Toen plots, in één beweging, als een groep stokstaartjes, richtten de zeven hoofden zich op gestrekte ruggen naar de ingang van de aula. Daar stond Esther. Bram wachtte het moment af dat ze nee zou schudden en de meiden zijn blik verwijtend zouden opzoeken.
                Maar Esther knikte. Ze opende haar mond, liet haar kin zakken en trok haar wenkbrauwen hoog op. De meiden klapten. Ze juichten. De aula keek een moment op. Er werd een stoel voor Esther vrijgemaakt, haar rug werd beklopt, en als een koningin ging ze op haar troon zitten. De zeven meiden keken nu naar hem, staken hun duimen op. Esther greep direct in, duwde de bejubelende armen omlaag en riep nee. Haar gezicht verkrampte een walgende seconde, en vervolgens hief ze lachend haar arm op. Bram volgde haar wijzende vinger, naar de ingang van de aula, naar Mark. Met een grijns op zijn hooggeheven gezicht en zijn schouders naar achteren keek hij over iedereen in de aula heen. En ook al kon Bram dat vanaf zijn plek niet zien, hij wist dat er op Marks onderlip een rode waas van bloed zichtbaar was.

Dit verhaal delen?
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *