Ze zette al jaren geen wekker meer. Zonder op de klok te kijken wist ze hoe laat het was. Ze zag het niet aan de lucht, het was donker buiten, niet aan de vogels, die sliepen nog. Ze wist het gewoon, na al die jaren om dezelfde tijd wakker worden. Gewenning. Handig, ja, dacht ze, en tegelijkertijd verachtte ze de selectiviteit ervan, waarom was het zo makkelijk om te wennen aan het ene, en zo moeilijk aan het andere? Haar hand reikte naar de linkerkant van het bed. Het laken voelde daar te strak, te koel onder haar aanraking. Het kussen stond te bol. Ze drukte in de veren, wilde slaan, dat lukte haar niet meer, ze wreef rimpels in zijn kant van het laken en trok aan de dekens.
                Toen ze weer op adem was gekomen, ging ze rechtop zitten, ze sloeg eerst haar rechterbeen, toen haar linker uit bed en zette haar blote voeten in de dikke vloerbedekking. Haar rechterhand plaatste ze op het nachtkastje, dat eerst altijd even wiebelde, haar gewicht zocht, en dan meewerkte en leunde naar de goede hoek. Ze stond, stapte in haar pantoffels, en liep met kleine passen naar de stoel waarover haar badjas hing. Ze sloeg het satijn strak om haar lijf. Door naar haar kaptafel. Alles lag klaar. Ze trok eerst met beide handen de ene hoek van de zware stoel naar achteren, daarna de andere, net zo lang tot er genoeg ruimte was om te zitten. Het leer voelde koel onder haar deels ontblote benen. Ze herschikte haar badjas tot alle huid bedekt was.
                Eerst haar haren. Ze pakte haar borstel en ging door de witte dunne haren heen die over waren van haar vroegere volle bos zwarte krullen. Ze borstelde voorzichtig, bang voor elke haar die losliet en nooit meer terugkwam, zoals alles nu, ze was op die leeftijd waarop je alleen nog dingen verloor, voor altijd verdwenen, te krap in tijd en kracht om terug te laten komen. Een scheiding in het midden, zoals ze dat haar hele leven al had, witte plukken naar links en naar rechts, tot ze tevreden was met de schijnbare symmetrie. De spiegel waarin ze keek was beslagen vanuit de zijkanten, permanent, een vettige leeflaag. Restjes van hem, adem, vuil van vingers, spuiend spuug wanneer hij te snel praatte. Dan stond hij achter haar, een hand in haar nek, haar net geborstelde haren weer in de war, voordat hij vertrok voor zijn dagelijkse rondje in de wijk. Nu haar spiegelbeeld, haar eigen hand in haar nek.
                Doorgaan. Met haar lange dunne vingers zocht ze tussen de flesjes en potjes in haar toilettas. Crème. Een dikke klodder had ze nodig, anders hechtte het zich alleen in de plooien van haar diepe rimpels. Goed uitsmeren. Dan foundation. Weer een dikke laag, alles bedekken, totdat het leek alsof er niets aan de hand was.
                Ze eindigde met het lastigste deel: haar ogen. Rechts op de kaptafel lag de stapel met boeken. Bekende titels op hun kant, één voor één opgetild van zijn nachtkastje en naar haar kaptafeltje gedragen. Ongelezen, deels gelezen en opnieuw gelezen. In sommige stak nog een boekenlegger. Ze pakte de mascara, legde haar elleboog op de stapel boeken om te voorkomen dat haar arm te veel zou trillen en streek de bruine smurrie op haar onzichtbare wimpers, ze veegde door de lucht, tot de enkele haren die ze over had allen gekleurd waren. Als laatste pakte ze het wenkbrauwpotlood, ze zette fijne streepjes tussen de haartjes die ooit haar wenkbrauwen vormden.
                Van lippenstift hield hij niet.
                Ze was klaar. Even bleef ze zo zitten, toen duwde ze zichzelf met beide handen op de armleuningen omhoog. Door de gang, langs verlaten kamers, liep ze naar de kamer waar haar klerenkast stond. Haar jurk hing klaar aan de kleerhanger op de gesloten deur. Ze haalde hem eraf, legde hem op de grond, naast het onbeslapen logeerbed, stapte erin, zakte voorzichtig omlaag, leunend met haar hand op het matras, en trok de jurk omhoog, over haar schouders, tot hij bleef hangen. Haar rug bloot door het gapende gat van de open rits.
                Dan kwam hij terug van zijn rondje door de wijk. Precies op tijd. Trok de rits voor haar omhoog, legde zijn handen op haar schouders en kneep. ‘Kom, tijd voor koffie.’
                Ze hield de jurk met beide handen vast op haar schouders en schuifelde de gang in, richting de woonkamer. Daar zakte ze in haar stoel, haar rug tegen de leuning, zodat de jurk niet af zou glijden, en niemand die haar zag kon merken dat er iets niet klopte, zelfs zij niet. Alleen dan kon ze het, doen alsof, alleen dan kon ze meespelen met wat er buiten gebeurde; het werd licht, de vogels floten en het leek ook vandaag weer gewoon dag te worden.  

Dit verhaal delen?
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *