Thomas kijkt op zijn mobiel en rekent. In Nederland is het vijf uur later dan in New York, dan is het daar nu bijna twaalf uur. Hij appt Michelle. Nog wakker?
            Ze is drie uur geleden voor het laatst online geweest. Natuurlijk is ze niet meer wakker. Hij stuurt er een berichtje achteraan. Ben nu op het vliegveld. Kleine vertraging, maar als het goed is kunnen we zo boarden. Tot straks in Nederland, lief. Kan niet wachten om jou, nee jullie, te zien:). X
            Hij stopt zijn telefoon weer in zijn rugtas en pakt zijn paspoort en ticket eruit. Nog helemaal niet nodig, net zoals het helemaal niet nodig was dat hij een uur geleden al naar de gate gelopen is. Het kan hem niet schelen, hij houdt niet van vliegen. Niet dat hij het eng vindt, dat niet, eerder ongemakkelijk en saai, en soms  – bij een lichamelijke of verbale aanval op zijn personal space  – ronduit vervelend. Hij kijkt om zich heen, scant de mensen. Het lijkt mee te vallen deze vlucht. Vooral zakenmannen, een paar stelletjes en, gelukkig, nauwelijks kinderen. Om die laatste gedachte voelt hij zich meteen schuldig.
            Zijn blik blijft wat langer hangen op een oudere vrouw.
            Strak. Dat is het woord dat in hem opkomt als hij naar haar kijkt. Alles aan haar is strak. Haar dat strak naar achteren is gekamd, een mantelpakje dat strak gestreken is en een gezicht dat strak staat. Als ze doorheeft dat hij haar staat te bestuderen, glimlacht ze naar hem. Een strakke glimlach. Hij lacht kort terug, nog in diezelfde beweging wendt hij zijn gezicht alweer af.
            Hij gaat nog maar een keer plassen.
            Als hij terugkomt ziet hij eindelijk beweging in de rij voor de gate. Hij sluit achteraan. Waarom zetten ze die verwarming op vliegvelden toch altijd zo hoog? Hij voelt dat hij natte plekken onder zijn oksels heeft. Heel langzaam komen ze vooruit en pas na tien minuten is hij aan de beurt. Hij lacht een beetje oenig naar de stewardess die zijn documenten controleert, toch die zenuwen, toch even die verhoogde hartslag. Hij mag doorlopen, natuurlijk mag hij doorlopen. De slurf door, een trapje naar beneden, het asfalt op. Terwijl hij geniet van een laatste moment frisse lucht, loopt hij naar het vliegtuig. Het geeft hem altijd een magisch en machtig gevoel, dat moment, op het asfalt, de harde wind, lopend naar de trap van dat enorme toestel. Waarom weet hij niet, misschien omdat dit zo vaak op televisie in beeld wordt gebracht bij beroemde mensen. Wapperende haren. Zwaaiende handen. De president op vredesmissie, de koning op staatsbezoek, olympische kampioenen met goud om hun nek. En nu hij, een gewone man, niets bijzonders, bijna veertig jaar, terug naar huis, terug naar Amsterdam.  
            Terwijl hij het trapje oploopt kijkt hij voor de zoveelste keer op zijn ticket. Als het goed is zit hij redelijk voor aan. Ja, 7D. De stewardess kijkt ook. 7D, enjoy your flight. Ja dat had hij al gelezen, bedankt. Hij schuifelt vooruit, achter in zijn rug duwen mensen, voor hem staat het vast, boven hem worden koffers het ruim in geslingerd. Als hij bij zijn plek aankomt, pakt hij dat wat hij nodig heeft tijdens de vlucht uit zijn rugzak, die hij vervolgens bovenin legt. Hij ploft neer aan het gangpad. Aan het raam zit al een meisje. Ze draagt een knalroze hoodie. Witte gympies. Met haar capuchon op leunt ze met haar hoofd tegen het raam. Haar ogen gesloten. Oké. Prima. Mooi.
            Hij installeert zich, stopt een flesje met lauw vliegveldwater in het netje voor zich, net als een pakje kauwgom en zijn boek, een dunne paperback met verhalen van Roald Dahl. Hij drukt wat op de knopjes van het schermpje voor hem. Dat staat nog uit natuurlijk.
            Hij hoopt dat de stoel naast hem leeg blijft. Terwijl de laatste passagiers het vliegtuig inlopen haalt hij elke keer – nauwelijks merkbaar  – opgelucht adem als ze de zevende rij voorbij lopen. Hij kijkt naar beneden om zijn riem alvast vast te doen, als hij hoort:
            ‘7E?’
            Hij kijkt op. De vrouw in haar mantelpak. Haar strakke glimlach. En dat in Economy Class.
            ‘Ja.’ Hij maakt zijn riem weer los en staat op om haar er langs te laten. Hij ruikt Chanel no. 5, zijn moeders lievelingsparfum.
            Ze gaat zitten, haalt haar voeten uit haar hakschoentjes en zet haar benen en voeten keurig naast elkaar. Pantykousjes met daaronder donkerroodgelakte teennagels.
            Ze ziet dat hij kijkt en glimlacht nogmaals naar hem. ‘Ze zwellen nogal op anders.’
            Hij knikt maar wat, alsof hij daar ook altijd last van heeft. Denkt aan Michelle, en haar opgezwollen voeten.
            Terwijl de vrouw een losgeraakt plukje haar terug probeert te stoppen in haar verder puntgave kapsel, bekijkt hij haar. Ze heeft een bleke huid met een rozige gloed op haar wangen en haar keurig opgestoken haar is rood, de mooie kleur rood, die verleidelijke kleur, die sommige vrouwen zo goed staat. Hij vraagt zich af of ze haar haar verft. Hoe oud zou ze zijn? Vijftig? Zestig? Rimpels heeft ze nauwelijks, afgezien van die paar rond haar ogen en de verticale boven haar lip. Waarschijnlijk heeft ze vroeger gerookt. Het is vooral haar blik die verraadt dat ze ouder is, de vermoeidheid die ze uitstraalt met haar lichtgroene ogen.
            Toch is ze mooi. Voor haar leeftijd is ze erg mooi.
            Het lastige plukje haar is zorgvuldig weggewerkt. Ze legt haar handen in haar schoot. Dunne lange vingers, zonder ringen.
            Er wordt omgeroepen dat ze klaar zijn om te vertrekken en gevraagd wordt of iedereen op wil letten bij de safety procedure. Hij kijkt altijd. Hij let nooit op. Geen idee wat hij zou moeten doen als ze neerstorten. Hij wil alleen niet dat ze zien dat hij niet doet wat er van hem gevraagd wordt. Dus ook nu weer richt hij zijn blik op de bewegingen van de stewardess schuin voor hem.
            Als ze klaar zijn, haalt hij zijn boek uit het netje van de stoel. Lezen doet hij nog niet. Hij heeft de rare gewoonte dat hij van zichzelf pas mag lezen als ze echt zijn opgestegen. Net zoals hij vindt dat je popcorn pas mag eten als de hoofdfilm begint.
            Hij pakt een kauwgompje. De vrouw naast hem volgt zijn beweging.
            ‘Wilt u ook?’ vraagt hij haar.
            ‘Je, alsjeblieft. En ja, graag.’ Hij wil haar het pakje geven zodat ze er één uit kan pakken, maar ze houdt haar hand in een kommetje, dus duwt hij er één voor haar uit. Ze glimlacht kort naar hem, iets minder strak dit keer, en kijkt weer vooruit. Nog steeds zit ze in dezelfde keurige houding.
            De piloot roept om dat ze niets geks verwachten deze vlucht. Geen extra turbulentie. Goed. Mooi.


Wanneer ze ruim een uur in de lucht zitten, ruikt hij eten. Zijn maag reageert meteen, in één klap heeft hij honger. Wanneer heeft hij voor het laatst gegeten? Het was nog voor de douane, dat sowieso. Het karretje komt langs. Een blonde, overdreven vrolijke, stewardess vraagt wat hij wil eten, vegetarische pasta of kip met rijst. Zowel hij als de vrouw naast hem kiest voor de pasta. Het meisje met de capuchon is diep in slaap. ‘Geef haar ook maar pasta,’ zegt de vrouw, ze pakt het aan en zet het voor het meisje neer.
            Thomas trekt het aluminium van zijn bakje pasta af.
            ‘Best oké, toch?’ zegt hij tegen de vrouw naast hem.  
            ‘Voor in een vliegtuig, best oké,’ antwoordt ze.
            ‘Eet smakelijk.’
            ‘Jij ook.’
            De vrouw neemt kleine hapjes, netjes met – plastic – mes en vork. Hij schuift met alleen een vork zijn eten snel naar binnen, de veel te lang gekookte pasta glijdt door zijn keel.
            Wanneer het eten op is, de rommel opgehaald is, hij een warm doekje heeft gekregen om zijn gezicht schoon te maken – wat hij overigens altijd nogal vies vindt, het voelt alsof er iemand heel lang op gezeten heeft – en ze koffie hebben gekregen, probeert hij weer een verhaal van Roald Dahl te lezen. Lam ter slachtbank.  
           
Het lukt hem niet; hij heeft nu al tien keer gelezen dat Mary Maloney wacht tot haar man thuiskomt van zijn werk. Hij wordt onrustig van de vrouw naast hem die zo overduidelijk niets aan het doen is, die soms voor zich uit staart, dan weer af en toe naar hem kijkt, als een verlegen pubermeisje dat eigenlijk wil praten, het gesprek alleen niet durft te starten.
            Hij stopt zijn boek terug in het netje.  
            ‘Wat heeft u in New York gedaan?’ vraagt hij haar wanneer ze hem weer aankijkt.
            ‘Zaken,’ zegt ze. ‘Een conferentie.’
            ‘Wat doet u voor werk?’
            ‘Jij. Ik ben CFO, van een bouwbedrijf.’
            Dat had hij niet verwacht, iets hoogs, dat wel, hij dacht eerder aan een… Ja, wat dacht hij eigenlijk?
            ‘Zo…’ zegt hij, om haar te laten merken dat hij onder de indruk is. Wel verbaast het hem nog steeds dat ze hier in Economy Class zit. ‘Misschien een gekke vraag, maar waarom vliegt u dan geen Business Class? Ik dacht dat dat in de zakenwereld allemaal betaald werd?’
            ‘Dat klopt. Ja, ik zou inderdaad Business Class kunnen vliegen. Ik vind het alleen nogal… kil daar, en ongezellig, acht uur lang in je eigen bubbel.’
            Ze zou er goed passen, denkt hij. Niet zo flauw doen, Thomas.
            ‘En de mensen die er zitten,’ gaat ze verder, ‘die vind ik niet leuk, ze zijn afstandelijk. Ik vind het prettig om af en toe een praatje te kunnen maken tijdens de vlucht.’ Weer glimlacht ze naar hem. Haar lippen nog steeds op elkaar, haar ogen lachen wel mee dit keer. Mooie heldere ogen. Kleine rode barstjes in haar oogwit.
            ‘En jij?’ vraagt ze hem. ‘Wat deed jij in New York?’
            ‘Vrienden opzoeken.’
            De vrouw blijft stil, kijkt hem aan alsof ze nog meer verwacht.
            ‘Of eigenlijk zijn het vooral de vrienden van mijn vriendin,’ gaat hij verder. ‘Ik wilde gewoon een keer naar New York toe. Maar als je zegt dat je gewoon naar New York gaat, zonder doel, in je eentje, terwijl je een vriendin hebt, vinden mensen dat vreemd. Dat zou me natuurlijk niets uit moeten maken. Ik zou me er niets van aan moeten trekken. Maar dat doe ik wel. Dus houd ik het er op dat ik vrienden heb bezocht in New York.’ 
            ‘Wilde je vriendin niet mee?’
            ‘Zie je, dat is wat iedereen vraagt. Alsof je als je een vriendin hebt, alleen nog maar alles samen moet doen.’
            ‘Dat lijkt me heerlijk. Alles samen doen.’
            ‘Ze is zwanger. Daarom is ze niet mee. Natuurlijk mag ze dan nog wel vliegen, maar ze is… nogal voorzichtig.’
            De vrouw knikt. Glimlacht. ‘Komt ze je ophalen straks?’
            ‘Ja, jazeker. En staat er iemand voor u zo meteen?’
            ‘Jou, geen u, zeg, hoe oud denk je dat ik ben?’
            Zestig, denkt hij. ’Vijftig,’ zegt hij. Ze zou er absoluut voor door kunnen.
            ‘Tel er gerust een decennium bij op.’
            ‘Zou je niet zeggen, hoor.’
            ‘Lief van je,’ ze raakt kort zijn bovenarm aan. ‘En nee, niemand komt me ophalen.’
            ‘Ben je getrouwd? Kinderen?’ Ongewild kijkt hij naar haar ringloze vingers.
            ‘Nee…’ Ze blijft even stil. Opent haar mond om nog wat te zeggen. Sluit hem dan weer. Begint dan toch verder te praten. ‘Werk ging eigenlijk altijd voor.’
            Dat verbaast hem niet.  
            ‘Ah.’ Hij weet niet goed wat hij moet zeggen. Begint dan maar over iets anders. ‘Zouden we straks nog meer eten krijgen? Een snack misschien nog, ja, volgens mij – ’
            De vrouw onderbreekt hem en vertelt verder. Zonder adem te halen. ‘Misschien heb ik de verkeerde keuzes gemaakt, toen ik jong was, toen leek werk alles, hè? En voor je het weet ben je veertig, vijftig, heb je alles bereikt waarover je gedroomd hebt toen je in de studiebanken zat en werk je je te pletter, ga je alleen nog maar meer werken, zodat je geen tijd hebt om er aan te denken dat je je hele leven gewerkt hebt, dat je misschien dingen hebt gemist, en dan ben je zestig, heb je alles en iedereen buitengesloten, ben je rijk, heel rijk, materieel gezien, ja, en dan begin je je af te vragen hoe het met de liefde zit, met familie, en besef je dat je helemaal niet rijk bent, dat je juist heel arm bent, dat je alleen bent.’ Ze haalt adem. ‘Dit is misschien een beetje too much, hè? Voor een vliegtuiggesprek? We horen het over koetjes en kalfjes te hebben, over het weer in Nederland.’ Ze schudt haar hoofd, lacht een beetje om zichzelf. Hij kijkt haar recht in haar ogen aan, wil iets zeggen, iets troostend, heeft alleen geen idee wat. Ze kijkt terug, is gestopt met lachen.
            ‘Zeg,’ begint hij dan. ‘Zullen we samen een film kijken?’ De vrouw lacht. Nu echt. Breed. Rechte witte tanden. Giechelt heel kort. Een klein scheurtje in haar perfecte voorkomen.
            ‘Jij mag kiezen,’ zegt hij.
            ‘Weet wat je zegt, hoor, ik houd van drama, hoe meer drama, hoe beter.’
            ‘Dat hoopte ik al. Noem het mijn guilty pleassure.
            Ze kiest ‘Still Allice’ met Julianne Moore. Over een vrouw die op vroege leeftijd Alzheimer krijgt. Hij heeft erover gelezen, ze heeft er een Oscar voor gewonnen.
            ‘Zullen we tegelijk op het knopje drukken?’ vraagt hij.
            Ze knikt. Ze doen hun oordopjes in.
            ‘1, 2, goooo.’
            De film start. Een etentje. Julianne Moore krijgt cadeaus voor haar vijftigste verjaardag, van haar man, haar kinderen. Hij haalt een dopje uit zijn rechteroor.
            ‘Je lijkt op haar,’ met het dopje in zijn hand wijst hij naar haar schermpje.  
            Ze kijkt naar benden, lacht, schudt weer haar hoofd.  
            Julianne Moore speelt goed, heel goed. Het verhaal grijpt hem aan.
            Op het moment dat Julianne Moore haar kinderen vertelt dat ze ziek is, stopt de vrouw de film. Op pauze bij haar, op pauze bij hem.
            ‘Vind je het spannend? Vader worden?’ vraagt ze hem.
            Hij zucht en kijkt kort de andere kant op. ‘Eerlijk?’ vraagt hij dan.
            Ze knikt.
            ‘Ja, ik vind het spannend. Heel spannend, retespannend, mind blowing, zo spannend. Ik denk dat ik misschien daarom naar New York ben gegaan. Daar is alles mogelijk. Zo voelt het. Daar ligt alles nog open. Bij mij niet meer. Een baan? Check. Een huis? Check. Een vriendin? Check. Een baby? Check. Alles is al bepaald, er is niets meer om over te dromen, niets meer om over te fantaseren, niet over hoe je toekomstige vriendin eruit ziet, je huis, wat je later zult worden. Alles is ingevuld. In New York niet, daar lijkt alles opeens weer open te liggen. Ik… ik heb dat nodig.’
            De vrouw legt haar hand op zijn been, net boven zijn knie, en knijpt er even in.
            ‘Het komt wel goed,’ zegt ze. Ze tilt haar hand niet op. ‘Zullen we weer verder kijken?’
            Hij knikt. De film gaat verder. Haar hand blijft op zijn knie liggen. Het voelt… het voelt niet oké. Hij tilt zijn been een klein stukje op, nauwelijks eigenlijk, duwt alleen zijn hak wat omhoog, om zichzelf gerust te stellen dat hij een poging heeft gedaan om haar hand weg te krijgen. Ze laat hem liggen.
            Hij laat het zo, kijkt weer naar de film. En net toen hij begon te wennen aan haar aanraking, geruststellend en zacht, haalt ze haar hand weg. Ze pakt een papieren zakdoekje uit de mouw van haar jasje en dept in haar ogen. Huilt ze om de film? vraagt hij zich af. En voordat hij erover na kan denken legt hij nu zijn hand op haar knie. Hij wil niet dat ze huilt. Die succesvolle zakenvrouw. Die mooie, eenzame vrouw.
            Weer kijken ze verder. Hij haalt zijn hand niet weg, knijpt zelfs steeds een beetje met zijn vingertoppen in haar smalle been.
            Zo blijven ze de hele film zitten. Als de aftiteling begint, zijn de lichten in het vliegtuig inmiddels uit, en zonder de verbinding van het kijken naar dezelfde film, voelt het ineens gek dat zijn hand op haar been ligt. Hij haalt hem weg en staat op.
            ‘Ik ga even plassen.’
            Stel je niet zo aan, zegt hij tegen zichzelf als hij op de W.C. zit. Er is niets aan de hand. Die vrouw is eenzaam. Het is goed dat je haar een goed gevoel wil geven. Je zit ergens boven de oceaan, bent een paar uur weg van de wereld. Wat maakt het uit.


 ‘Weet je al wat het wordt?’ vraagt de vrouw als hij weer op zijn plek zit.
            ‘Hè?’
            ‘De baby?’
            ‘O ja, tuurlijk. Een meisje.’
            ‘Ach, wat leuk.’ De vrouw blijft vragen stellen, hij wil niet te veel zeggen, wil haar, op de één of andere manier, niet kwetsen met zijn geluk.
            Om hen heen slaapt bijna iedereen. Het meisje met de capuchon uiteraard ook.
            ‘Zullen we ook wat proberen te slapen?’ stelt hij voor.
            ‘Ja, laten we dat doen.’
            ‘Goed.’
            ‘Mag ik je hand vasthouden?’ vraagt ze.
            Heel even twijfelt hij, pakt dan haar hand. Een koude hand. Onwennig in de zijne. Haar slanke vingers sluiten zich om die van hem. Hij legt hun handen in zijn schoot.
            ‘Welterusten,’ zegt ze.
            ‘Welterusten.’
            Ze plaatst haar hoofd tegen zijn schouder. Een vlaag Chanel no. 5.

Hij kan niet slapen. Kijkt nog een film. Actie dit keer, dan toch maar. Zij slaapt wel. Hij hoort haar door haar neus ademen, heel zachtjes ronkend, waarschijnlijk door de airco. In alleen het licht van zijn film, met haar haar wat in de war door het slapen, lijkt ze nog weer jonger.
            Eigenlijk wil hij al dat haar los schudden.


Uiteindelijk moet hij toch in slaap gevallen zijn, want als hij zijn ogen opendoet, is zijn film afgelopen, zijn de lichten aan en komt er een karretje langs met ontbijt. Een beetje daas komt hij wat omhoog. De vrouw naast hem zit keurig rechtop. Haar haar weer helemaal netjes. Hij krijgt een gereserveerde glimlach.
            Ze praten wat over het ontbijt. Dat ze allebei straks thuis nog even goed gaan ontbijten, dat ze uitkijken naar hun eigen bed, dat ze benieuwd zijn naar het weer in Nederland. 
            Er wordt omgeroepen dat ze over twintig minuten zullen landen in Amsterdam, waar het op dit moment 17 graden en bewolkt is. Aha.
            Af en toe kijkt hij de vrouw aan, hij weet niet zo goed wat hij moet zeggen, nu in het licht, nu alle mensen wakker zijn en zelfs het meisje met de capuchon rechtop zit en haar ontbijt eet.
            Ze landen en staan nog een tijdje stil voordat het signaal gegeven wordt dat ze hun riemen los mogen maken. Iedereen staat op. Hij ook, leunt met zijn ene hand op zijn eigen stoel, de andere op de stoel voor hem, zijn rug naar de vrouw toe. Als er genoeg ruimte is om zijn tas te pakken, stapt hij naar voren, pakt eerst de rolkoffer van de vrouw, laat haar er langs en pakt dan zijn eigen rugzak.
            ‘Ik weet niet eens je naam,’ begint hij tegen de vrouw.
            ‘Dat maakt niet uit,’ zegt ze en ze komt dichterbij, legt haar koele hand op zijn wang en drukt een zoen op zijn mondhoek. Blijft daar heel even hangen voor ze langzaam naar achteren gaat en hem aankijkt met die lichtgroene ogen. ‘Pas goed op je dochter.’
            Hij knikt.
            ‘Ga maar vast,’ zegt ze. ‘Ga jij maar eerst.’
            Hij knikt nog een keer. Als in een waas loopt hij weg. De trap af. Bagage. Paspoortcontrole. Niets aan te geven. De deuren door. Michelle. Haar bolle buik. Stralend. Blij hem te zien.
            Hij loopt op haar af en omhelst haar. Zoent haar.
            ‘Goede vlucht gehad?’ vraagt ze.
            ‘Ja… ja… prima, niets bijzonders. Moe, dat wel.’ Hij kijkt rond, zoekt de vrouw. Liep ze achter hem aan?
            Michelle wijst hem op een groepje kinderen naast hen. ‘Kijk, zo staan ze ons later ook op te wachten.’
            Hij kijkt naar de kinderen, de ouders van de kinderen, een gelukkig gezinnetje.
            ‘Is ze er al?’ hoort hij één van de kinderen ongeduldig vragen.
            ‘Ja, rustig maar,’ zegt de vader, ‘dit is haar vlucht, ze kan elk moment komen.’
            Hij draait zich weer om naar Michelle. ‘Ja, lief, hè?’ Hij omhelst haar nog een keer. ‘Het is goed je weer te zien, lieverd. Ik heb je gemist.’
            ‘Ik jou ook. Zullen we gaan?’
            ‘Ja, let’s go.’
            Achter zich hoort hij de kinderen roepen. ‘Oma! Oma!’ Hij kijkt nog een keer achterom. Ziet de vrouw, de mooie vrouw, zonder naam, op haar hakjes op de kinderen aflopen. Ze omhelst ze één voor één. ‘Dag lieverds! Wat heerlijk dat jullie me op komen halen.’ Over de kinderen heen kijkt ze naar hem. En glimlacht.
            ‘Ga je mee?’ vraagt Michelle.
            ‘Ja… ja, ik ga mee.’ Hij pakt haar hand, haar warme hand, haar vertrouwde hand, en ze lopen richting de uitgang.

Dit verhaal delen?
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *