2004 – puberen

‘Willen jullie nog thee?’ roept mijn vader vanuit de keuken.
            Mijn moeder en ik kijken Pretty Woman. Ik zit op mijn favoriete plek, in de hoek op de bank, vlakbij de verwarming, onder een tot mijn kin opgetrokken dekentje, en deel een voetenbankje met mijn moeder. Mijn vader rommelt op de achtergrond.
            ‘Ja, graag, nog meer thee!’ roep ik met een hoge stem, mijn kinderlijke stem, die ik bewaar voor thuis. ‘Met een chocolaatje erbij?’ probeer ik. Tevergeefs, want ik weet dat het antwoord nee is. Doordeweeks geen chocola, en zeker niet op een gewone dinsdagavond. Morgen weer naar school.
            Mijn vader komt de keuken uitgelopen met twee koppen thee.
            ‘Pas op, heet.’ Hij geeft ons de glazen aan. ‘Zitten jullie weer naar dat zoetsappige gedoe te kijken?’ Hij weet dat we willen dat hij die opmerking maakt, dat hij onze films afkraakt, het is ons spelletje, wij doen net alsof we er boos om worden, manen hem tot stilte, hij lacht ons uit.
            Dan wordt er op het raam geklopt. Een herkenbaar geluid. De magie verbroken. Want ik weet wat het betekent.
            ‘Is dat Roos?’ vraagt mijn moeder terwijl ze naar het scherm blijft kijken.
            ‘Ik denk het.’ Ik blijf een paar seconden zitten, stel het allemaal nog heel even uit. Dan sta ik op, loop naar de gang en open de voordeur.
            ‘Hoi, kom je buiten?’ vraagt Roos. Vanonder haar capuchon kijkt ze me emotieloos aan. Haar huid is bleek en haar dikke bruine haar hangt in een paardenstaart over haar linkerschouder. Haar voetbal houdt ze geklemd onder haar arm.
            ‘Ja,’ zeg ik. Natuurlijk zeg ik ja. ‘Even m’n jas pakken.’
            Terug in de woonkamer vertel ik mijn moeder dat ik naar buiten ga. Ze knikt, had het al verwacht en lijkt niet teleurgesteld. ‘Om tien uur thuis, hè?’
            ‘Jaha…’
            Ik trek mijn jas aan en als ik in de gang ben trek ik mijn bontkraag net zoals Roos over mijn hoofd.
            Ik wil niet naar buiten.  
            Ik ga naar buiten.
            Roos loopt voor me uit. We zeggen niets, dat is niet nodig, we weten waar we heen lopen, naar het pleintje verderop, verstopt tussen de bosjes. Ons pleintje.
            Als we er zijn legt Roos de bal op de grond, ik neem mijn plek tegenover haar in. Ze schopt de bal naar me toe, ik trap terug, zo doen we dat, heen en weer, allebei de handen nonchalant in onze zakken, nog steeds zonder te praten. Ik ben de eerste die dat onderbreekt.
            ‘Hebben je ouders weer…?’ Ik steek mijn kin in mijn jas, verstop me, en schop.
            Ze weet wat ik bedoel. ‘Ja.’
            ‘Erg?’
            ‘Ja.’ Ze trapt de bal harder terug dit keer, ik kan hem niet tegenhouden en moet hem uit de bosjes achter me halen. Vanaf daar schop ik hem terug, en voordat ik terugga naar mijn plek, kruip ik verder de struiken in, op zoek naar onze goed verstopte schat, die fles Malibu die we een paar weken geleden ergens halfvol gevonden hebben.
            Ik loop naar Roos die de bal een paar keer hooghoudt – ze kan veel beter voetballen dan ik – en reik haar de gevonden fles aan. Ze stopt en neemt een slok. En nog één. Ze geeft hem aan mij en ik doe net alsof ik ook een slok neem, en een tweede. Roos neemt de fles weer van me over, zet hem een laatste keer aan haar mond en legt hem naast zich neer op de grond. Ze schiet de bal naar me toe. Zonder woorden rolt de bal heen en weer, tot het tien uur is en ik weer naar binnen mag.  

Dit verhaal delen?
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *