‘Ga je mee?’ vraagt mama vanuit de deuropening. Ik zit aan tafel en snijd de korstjes van mijn boterham.
            ‘Ik ben nog niet klaar.’ Ik stop de restjes brood in één keer in mijn mond. Hij staat bol. Mama ziet er boos uit en loopt de tuin in waar mijn rode fiets al klaarstaat. Stomme te kleine fiets. Ik had een nieuwe gevraagd voor mijn verjaardag. Maar kreeg een broertje. Hij zit in het kinderzitje op mama’s stuur. Buiten klopt mama op het raam. Ze wenkt me met een hand die op een wegvliegende vogel lijkt. Ik probeer de zware natte spons in mijn mond door te slikken. Als dat gelukt is, steek ik mijn tong met kruimels naar mama uit om te laten zien dat ik klaar ben. Ze kijkt niet meer. Ze staat al helemaal aan het einde van het pad, bij het hekje, klaar om te gaan. Zou ze dat doen, vraag ik me af, vertrekken zonder mij? Ik blijf aan tafel zitten. Ik gooi een beetje melk in mijn platte bord, net te weinig om het te laten overstromen, net genoeg om de hageltjes rond te laten dobberen als eendjes in het park. Ik gooi ze wat broodkruimels toe die ze negeren. Het verveelt me al snel weer. Ik schenk de rest van de melk op het bord, de witte vijver overstroomt langs de randen en druppelt over het tafelzeil naar beneden op de houten vloer. Mama staat nog steeds in de tuin, haar beide handen op het stuur, mijn broertje daar tussenin. Ik sta op van mijn stoel en ga onder de tafel zitten. Ik voel een druppel melk in mijn nek. Zal ze me komen zoeken? Of fietst ze weg naar de crèche? Ik sla mijn armen om mijn knieën om me nog kleiner te maken, om me nog beter te kunnen verstoppen.
            Iets later hoor ik de deurklink. Ik zie mama’s laarzen. Die met heel veel veters, en dat witte zachte kraagje. Haar voeten staan naar mij gericht. Ze komen steeds dichterbij.
            ‘Julian!’ roept ze. Ik kan haar schoenen aanraken. Nu, daar gaat mijn hand al, en mama’s hand ook, die het tafelkleed optilt, waardoor er melkspetters rondvliegen. ‘Kom op, we moeten weg. Trek je schoenen aan. Wat heb je met de melk gedaan?’
            Ik zeg niets en tuur naar mijn grote teen die uit het gat van mijn sok is gekropen.
            ‘Ik moet nieuwe sokken, mama.’
            ‘Je moet naar school. Je kunt niet te laat komen op de eerste dag van het nieuwe schooljaar.’
            Ik snap niet waarom dat niet kan, maar sta toch op. Iets te vroeg, ik stoot mijn hoofd tegen de rand van de tafel. De borden en glazen rinkelen.  
            ‘Ik wil niet,’ zeg ik. Ik sla mijn armen om mama’s benen zodat ze niet kan bewegen. 
            ‘We gaan. Nu.’ Ze maakt zich van me los om mijn schoenen te pakken. Ze weet niet dat ik ze verstopt heb. In de stofzuiger. De zak met stof ligt ergens in de tuin.
            ‘Werk nou even mee, Julian,’ roept ze vanuit de gangkast.
            ‘Ik heb nog geen schoenen aan.’
            ‘Waar zijn ze toch?’ Mama zit inmiddels op haar knieën en heeft al drie keer de schoenen van papa en mijn broertje uit de kast gepakt, weer teruggelegd, en opnieuw eruit getrokken. Overal schoenen. Mama’s haar zit wild.
            ‘Mama?’
            ‘Ja?’
            ‘Zonder schoenen kan ik niet naar school.’
            Ze draait zich om en staat weer rechtop, tegenover me, het gaat heel snel, haar handen liggen opeens op mijn schouders. ‘Waar-zijn-ze?’ Met elk woord knijpt ze me.
            ‘Goed verstopt.’ 
            Ze schudt me door elkaar, duwt me de gangkast in en draait de deur op slot. ‘Je komt er pas weer uit als je ze gevonden hebt.’
            Het is donker. Ik ga op de grond tussen de rommelige berg schoenen zitten. Ik wou dat ik net zo klein was als mijn broertje. Dan zou ik misschien, zelf ook, in die stofzuiger passen.  

Dit verhaal delen?
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

One Comment on “Een broertje voor mijn verjaardag

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *