Ik hoef maar heel even te wachten voordat er open gedaan wordt. Voor me staat een jonge vrouw. Haar blonde steile haar is vastgebonden in een knot bovenop haar hoofd. Warrig en toch in model, hier en daar pieken wat weldoordachte plukjes uit haar kapsel. Ze draagt een lichtkleurig zomerjurkje dat losjes om haar lichaam hangt. Verder niets – hier in de oude huizen aan de gracht blijft het ’s avonds warm, ook al schuif je de hoge ramen omhoog om het door te laten waaien. Ik stel me voor hoe dat jurkje van haar dan lichtjes opgetild wordt door de wind. Ze is mooi, mijn buurvrouw, in haar nonchalance. En daardoor ben ik me des te bewuster van mijn eigen voorkomen, het lubberen van mijn spijkerbroek, mijn gymschoenen met opgedroogde modderspetters aan de zijkant en mijn afwachtende houding terwijl ik degene ben die bij haar heeft aangeklopt, en niet andersom. Toch heeft zij de leiding. Ze groet me. Niet op een vragende manier, niet met haar stem op het einde de hoogte in, maar kort en kordaat, alsof het voor haar heel normaal is dat iemand op dinsdagavond rond etenstijd voor haar deur staat.
            ‘Hoi,’ is mijn antwoord.
            ‘Waar kan ik je mee helpen?’
            Niet kan ik je helpen? Ze weet dat ze nodig is. Ze is het gewend.
            ‘Nou… misschien een rare vraag, maar ik ben hier net komen wonen en nu heeft de vorige bewoner het gas afgesloten. Het lukt me niet om het kraantje weer open te draaien. Dus ik vroeg me af… hebben jullie een watertang die ik zou mogen lenen?’
            ‘Je bent onze nieuwe buurvrouw?’
            Ik knik.
            ‘Natuurlijk kun je iets van ons lenen.’ Ze zingt de woorden bijna, de lettergrepen om en om kort en uitgerekt. Ze draait zich om en loopt de steile trap achter zich op omhoog. Vanaf de stoep volg ik haar gladde bruine benen, haar smalle blote voeten. Wil ze dat ik meeloop? Of komt ze zo terug? Ik blijf staan. Als ze boven is draait ze zich om en lacht ze naar me.
            ‘Je mag binnenkomen, hoor.’
Hoor. Ik voel me terechtgewezen op mijn bescheidenheid. Ze wacht niet op me. Ik stap de licht krakende trap op, volg, zij duwt de deur voor zich open en loopt naar binnen terwijl ik pas halverwege ben. En dus sta ik eenmaal boven weer stil, niet wetende of ze wil dat ik helemaal mee naar binnen ga of in het gangetje op haar blijf wachten. Ik dwing mezelf de drempel over, waan me even net zo zorgeloos als mijn buurvrouw, en stap – over mijn eigen terughoudendheid heen – de keuken in. Daar staat een man te koken, haar man. Op de achtergrond klinkt rustige instrumentale muziek. Jazz, denk ik. Gesterkt door mijn persoonlijke overwinning van zojuist loop ik op mijn buurman af om me voor te stellen. Hij schudt mijn aangeboden rechterhand niet, steekt in plaats daarvan zijn linkerhand naar me uit. Even ben ik verbaasd, dan realiseer ik me dat hij aan het koken is en misschien een vieze hand heeft. Toch voel ik me door dit onhandige gebaar meteen weer minder op mijn gemak. Wat versterkt wordt door het feit dat mijn buurman er net als mijn buurvrouw goed uitziet, in zijn rafelige spijkerbroek en poloshirt met lange mouw. Het type zeiler, stoer en kakkineus tegelijk.
            ‘Hai, ik ben Stefan, welkom.’ Ook hij klinkt zangerig. Een tweestemmig duo. Volledig in harmonie. En dat ondanks de baby van een paar maanden die ik vanuit mijn ooghoeken op een kleed in de woonkamer zie liggen. De baby kruipt nog niet, kijkt alleen maar op, houdt zich heel rustig. En dat rond etenstijd. Het lijkt bijna onwerkelijk, de rust die ze uitstralen, ze lijken zo content, zo in control. Er is geen gestress over het eten, geen gekibbel en geen rotzooi, de keuken van dit jonge gezin is schoon, heel schoon. Mijn buurman legt de lepel waarmee hij af en toe in de pan roert neer op een stukje keukenrol zodat hij geen vlekken op het aanrecht achterlaat. Hij wiegt nota bene met zijn heupen, humt ontspannen mee met de muziek. Mijn buurvrouw vlijt zich van achteren tegen hem aan, haar lichaam slank, zonder zwangerschapskilo’s rond haar middel,haar gezicht vrij van rimpels en wallen. En de baby blijft stil. Krijst niet. Jammert niet. Het is alsof ik naar een toneelstuk van volkomen op elkaar ingespeelde acteurs kijk. Waar de man de lepel ophoudt, liggen de lippen van zijn vrouw er al omheen om vervolgens te zuchten dat zijn eten heerlijk is. Waar de vrouw een leeg glas ophoudt heeft de man de wijn al in zijn handen om in te schenken.
            Mijn buurvrouw laat mijn buurman weer los en gaat me voor naar de woonkamer. Ook daar is alles op elkaar afgestemd en ondanks of dankzij het contrast van stoer en chique, valt niets uit de toon. De cognackleurige leren bank met de vrolijke kussens, het ouderwetse, of nee, vintage vloerkleed waar de baby nog steeds onbeweeglijk op ligt, de tafel met het massief houten tafelblad en de strakke metalen poten. Zelfs de foto’s aan de muur. Prachtig uitvergrote foto’s. Prachtige mensen. Mijn buurvrouw als model, sereen. Mijn buurman als gitarist, ruig. Wat een verschil met de tevredenheid die hij nu uitstraalt over zijn rustige gezinsleventje.
            De perfectie van mijn buren maakt me ongemakkelijk. Alles vergelijk ik met mijn eigen huis, mijn eigen leven, maar vooral met mij, mijzelf, ik, die overal over twijfelt, over elke keuze in mijn leven en die eerst denkt aan wat anderen zouden denken, van me zouden vinden, terwijl mijn buurvrouw, nu, op dit moment, op de muziek begint te dansen, vrij van onzekerheden, midden in de woonkamer, met een onbekende vrouw naast zich en met een jurkje dat inderdaad wappert. Al zwierend verdwijnt ze naar de keuken en komt terug met twee glazen witte wijn. 
            ‘Ga zitten.’ Met het drankje in haar hand wijst ze naar de bank.
            ‘Ik wil jullie niet storen.’ Ik wil niets verstoren, ik, de dissonant in hun foutloze compositie. Ik wil eigenlijk gewoon weer naar huis. ‘Ik kwam alleen om een watertang te lenen.’
            ‘Je stoort niet.’ En ik heb het glas wijn al in mijn handen. Ik ga op de bank zitten, in de hoek, zo ver mogelijk weg van de baby die me muisstil aan blijft kijken met die grote blauwe ogen. De vrouw geeft de baby een aai over haar bol, hey prinsesje, en gaat naast me zitten, haar ene been onder zich geslagen, haar arm losjes op de leuning.
            Ik neem een slokje van de koele wijn. Neem er snel nog één. Het helpt me niet te ontspannen, ik ben me te bewust van hoe ik zit, van mijn gestamel en mijn passieve houding. Ik kwam hier met een reden, voor die watertang, en nu zit ik hier, op de bank bij mijn buurvrouw, te nippen van een glas wijn terwijl ik op doordeweekse avonden helemaal geen alcohol drink.
            Dan stapt ook mijn buurman de woonkamer in met in zijn hand een ontpopt flesje witbier. Mijn buren, de levensgenieters. Het eten, de muziek, de drankjes, ze zijn degenen die het goed voor elkaar hebben. Mijn buurman gaat onderuitgezakt in de stoel naast de bank zitten, zijn benen een stukje uit elkaar.
            ‘Zo, dus je bent hier net komen wonen?’ vraagt hij lachend, breed lachend, niet helemaal passend en licht overdreven bij de redelijk emotieloze vraag die hij stelt. Een lach die wanneer ik antwoord geef, niet verdwijnt, niet verandert.
            ‘Ja, ik ben een paar dagen geleden verhuisd.’
            ‘Heerlijk plekje, hè?’ Hij knikt naar de ramen, doelt waarschijnlijk op de gracht waar we allebei aan wonen.
            ‘Ja, fantastisch.’  
            ‘Wat doe je voor werk?
            ‘Ik ben net begonnen als marketeer.’
            ‘Ah, nice, goed voor je. Mooi hoor.’ Mijn buurman knikt en neemt een paar slokken van zijn biertje.
            ‘En jullie?’
            ‘Ik ben consultant, Juul is advocaat. En in haar vrije tijd klust ze bij als model.’
Natuurlijk doet ze dat.
            ‘De foto’s zijn prachtig,’ zeg ik. En dat meen ik. ‘Speel je nog gitaar?’ Ik kijk naar de foto’s van mijn buurman. Op één heeft de fotograaf ingezoomd op zijn onderarmen. Gespierd en bruin met lichtblonde haartjes. Dikke aders, vol muzikaliteit.   
            ‘Nee, dat is geweest. De goeie ouwe tijd, hè?’ Zijn lach wordt nog iets breder.
            ‘Zat je in een band?’
            ‘Ja.’
            ‘Ze waren goed. Hebben door heel Europa getourd,’ vult mijn buurvrouw aan.
            ‘Speel je helemaal niet meer? Mis je het niet?’
            Eén seconde, heel kort, en toch lang genoeg om me iets minder ongemakkelijk te voelen, iets meer het idee te hebben dat ik me onder normale mensen bevind, zie ik zijn lach kleiner worden, zie ik hem naar links kijken om mijn blik te ontwijken. Dan kijkt hij me weer aan. Lachend.  
            ‘Nee, het was een mooie tijd, maar nu heb ik mijn gezin. Ik zou het niet anders meer willen.’ En om dat te benadrukken, of misschien om zichzelf ervan te overtuigen, staat hij op om de beide vrouwen in zijn leven een zoen te geven.
            ‘Ik ga even bij het eten kijken,’ zegt mijn buurman vervolgens en hij loopt richting de keuken.
            ‘Ja, je blijft toch eten?’ vraagt mijn buurvrouw terwijl ze haar kreukloze jurkje gladstrijkt.
            ‘Nee, ik ga maar eens. Ik moet nog wat dingen voor werk afmaken. Je weet wel, nieuwe baan,’ licht ik toe, zonder mijn buurvrouw aan te kijken. Het is tijd om dit surreële toneelstuk der volkomenheid uit te stappen, ik heb behoefte aan chaos en imperfectie, aan een plek waar mijn tekortkomingen opgaan in het decor in plaats van geaccentueerd worden.
            ‘Ach ja, natuurlijk. Maar je bent altijd welkom, hoor. Heel leuk om je te leren kennen.’
            ‘Jullie ook. En bedankt voor de wijn.’ Voordat ze me weer tegen kan houden of met één woord of blik kan overhalen om te blijven loop ik door naar de keuken om mijn buurman gedag te zeggen en in hoog tempo de trap naar beneden af te denderen, naar buiten, naar daar waar alles weer normaal is, terug naar mijn eigen huis, waar ik als ik binnenkom meteen wat kleren op de grond gooi, heerlijk, en vervolgens neerplof op de bank.
            Ik zit nog maar net als er op de deur wordt geklopt. Met tegenzin sta ik op om open te doen. Het is mijn buurman.
            ‘Je bent wat vergeten.’
            En pas dan zie ik het. Het verschil.
            Het verschil tussen de arm van de foto’s en de arm die hij nu naar me uitstrekt. Tussen de sterke gebruinde arm en deze rubberachtige volledig effen en haarloze arm. Tussen de hand vol passie en deze bewegingsloze hand, de vingers allemaal in precies dezelfde kromming. Zoals de watertang die hij in zijn open handpalm voor me houdt.

Dit verhaal delen?
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *