Amber

Het liep al tegen drieën toen Vincent het ontbijt in de keuken klaar zette. Meestal werd hij onrustig als hij zo laat opstond, voelde hij zich schuldig als hij nog zo weinig gedaan had en vooral nog zo weinig geschreven had. Nu sluimerden die schuldgevoelens slechts vaag op de achtergrond van zijn bewustzijn; afgelopen nacht had hem ongevoelig gemaakt voor elke gedachte die niet over Amber ging. 
            Niet eerder had hij een vrouw gekend die hij zo graag wilde zien, echt graag, wanhopig graag, en niet eerder was er een vrouw geweest die er juist alles aan deed om dat zoveel mogelijk te voorkomen. In het begin had hij zich er tegen verzet, probeerde hij haar over te halen met woorden, met aandacht, met aanrakingen, maar bij iedere stap die hij dichterbij kwam, liep Amber er twee achteruit, bij ieder berichtje dat hij te snel stuurde, deed ze er langer over om iets terug te appen en iedere keer dat hij haar te vaak omhelsde, sloeg ze haar armen minder strak om hem heen.
            Hij legde plakjes ham en kaas op een schoteltje, stopte croissantjes in de voorverwarmde oven, spoelde druiven af, haalde ze één voor één van het takje en legde ze in een schaaltje. De koffie pruttelde en als ze wilde kon hij melk voor haar opschuimen. Als ze wilde. Als ze bleef. 
            ‘Goedemorgen… middag,’ hoorde hij achter zich. Amber klonk schor. Hij draaide zich om. Zijn overhemd viel tot halverwege haar bovenbenen, daaronder droeg ze alleen haar sokken, die met dat glitterrandje, die hij vannacht zo zorgvuldig van haar enkel had afgerold. Haar bruine krullen pluisden en vielen warrig langs en voor haar gezicht, haar lippen waren rood, licht gezwollen, en onder haar ogen tekende zich een donkere waas van de mascara die ze gisteren gedragen had. Amber liep naar één van de barkrukken aan zijn ontbijttafel. Ze ging zitten, haar benen licht uit elkaar en haar handen daartussenin, rustend op zijn overhemd, dat daardoor zo viel dat hij niets kon zien.
            ‘Je was weer in slaap gevallen. Ik dacht, ik laat je nog even liggen. Dan maak ik vast ontbijt voor je. Of lunch. Of een vroeg diner. Of alles in één.’
            Ze lachte naar hem. Hij herkende die lach, die lach zonder geluid, zonder emotie, ze bereidde hem ermee op voor dat ze zo zou vertrekken. Met twee handen schudde Amber haar krullen op en bond vervolgens haar haren vast in een knot bovenop haar hoofd. Vincent negeerde de afstand die ze creëerde en liep naar haar toe, duwde met zijn handen haar benen verder uit elkaar, ging daar tussen staan, haalde het elastiekje weer uit haar haren en stopte het in zijn broekzak.
            ‘Ik wil je krullen zien.’ Hij pakte één van haar voorste lokken, trok er zachtjes aan, legde toen zijn hand op haar wang, de haren nog tussen zijn vingers, en zoende haar op haar mond. Ze hield haar lippen op elkaar. De oven piepte. Hij ging met zijn duim over haar onderlip, stapte toen naar achteren. ‘Honger?’
            ‘Nee.’ zei ze.
            Hij moest lachen, blij met alles wat ze zei. ‘Maar ik heb zo m’n best gedaan.’ Hij knikte naar het aanrecht waar het eten klaarstond.
            ‘Dan wil ik een druif. En een kop koffie.’
            ‘Goed, dan krijg je een druif.’ Hij pakte er één en stopte hem in haar mond. Ze hield hem kort tussen haar lippen, zoog hem toen naar binnen en sabbelde er even op voordat ze hem doorslikte. Hij keek haar de hele tijd aan, zijn handen op haar naakte bovenbenen.
            ‘Wanneer zie ik je weer?’
            ‘Snel.’
            ‘Net zo snel als de vorige keer?’
            ‘Niet zo flauw doen.’ Ze veegde haar krullen weg uit haar gezicht.
            ‘Ik doe niet flauw, ik wil je alleen vaker zien. Vaker dan één keer per maand.’   
            Ze boog zich van hem af, nauwelijks, maar hij voelde hoe ze naar achteren leunde. Hij bewoog mee. Zijn handen gleden naar haar knieën tot halverwege haar schenen, en weer omhoog, hij voelde haar stoppeltjes van een dag niet scheren. ‘Blijf vanavond.’
            Ze zuchtte zachtjes. Glimlachte toen. ‘Nee.’
            ‘Waarom niet?’ 
            ‘Omdat ik nu weer naar mijn eigen bed wil.’
            ‘Je bent tenminste eerlijk.’
            ‘Vincent … Het was heerlijk, dat weet je.’
            Hij knikte.
            Ze ging verder: ‘En we hebben het leuk, heel leuk, maar ik wil –’
            ‘Het rustig aan doen.’ Nu moest hij ophouden, haar de ruimte geven. ‘Ik weet het.’
            ‘Ja …’ Met haar beide handen pakte ze zijn linker, bracht die naar haar lippen en zoende de toppen van zijn vingers.
            ‘Gewoon.’ Ze nam zijn middelvinger tussen haar lippen.
            ‘Rustig.’ Ze zoog er zachtjes op.  
            ‘Aan.’ Ze liet zijn hand weer los. Ze wist precies wat ze deed, hoeveel ze hem moest geven voordat ze zou vertrekken.  
            ‘Oké,’ antwoordde hij. ‘Maar laat me je dan in ieder geval thuisbrengen. Ik doe het graag.’
            ‘Nee, jij moet schrijven. Ik heb je alweer te lang van je boek afgehouden. Bovendien vind ik het lekker om te lopen. Zo ver is het niet.’
            Hij zuchtte, gaf zich gewonnen, natuurlijk. ‘Goed,’ en hij wilde haar zoenen, zij sprong van de kruk af, opeens heel snel, en rende naar zijn slaapkamer, hij hield zich in en bleef staan. Hij liet haar gaan. 

Binnen een paar minuten was ze terug, aangekleed, zijn overhemd was ingeruild voor het groene jurkje dat ze droeg toen ze gisteren voor zijn deur stond. Hij leunde met zijn rug tegen het aanrecht en keek hoe ze naar hem toe kwam lopen, langzaam, tot ze met haar hele lichaam tegen hem aanstond, haar handen aan weerszijden van hem. Ze duwde zich nog dichter tegen hem aan, hij voelde haar helemaal, haar voorhoofd raakte het zijne, zijn neus de hare, en met haar lippen lichtjes tegen de zijne, zei ze: ‘Ik zie je snel weer.’ Zonder hem te zoenen stapte ze naar achteren, pakte toen behendig haar elastiekje uit zijn broekzak en terwijl ze haar haren vast bond verdween ze door zijn voordeur naar buiten.  

Nadat hij een tijdje op dezelfde manier tegen het aanrecht was blijven staan, pakte hij de croissants en het bordje met beleg en ging op haar barkruk zitten. Ze had gelijk gehad, hij zou inderdaad moeten schrijven vandaag, maar hij wilde het gevoel dat ze hem vannacht weer gegeven had, dat wankele gevoel dat alles klopte in zijn wereld, niet verpesten met de frustraties van het zoeken naar woorden die hij al weken niet leek te kunnen vinden. Morgen zou hij weer schrijven.
            Hij pakte zijn telefoon, opende WhatsApp en scrolde naar Ambers naam. Ze was online. Hij schrok toen Online veranderde in Aan het typen…. Tot nu toe was hij telkens degene geweest die haar als eerste had geappt, en niet andersom. Ze bleef typen, hij bleef naar die woorden staren, en wachtte.Ze stuurde niets, er stond weer Online. Nu begon hij te typen, hij wilde dat ze wist dat hij het gezien had, maar meteen ging ze offline. Hij bleef nog even naar het scherm kijken, twijfelde of hij iets zou sturen, deed het niet, dit was genoeg voor nu, het feit dat ze aan hem dacht terwijl ze naar huis liep en bijna uit zichzelf een berichtje had gestuurd. Ze kwam dichterbij. Hij legde zijn telefoon op tafel, rolde een paar plakjes kaas op die hij één voor één in zijn mond stopte en dacht aan afgelopen nacht. Aan hoe ze hem aangekeken had, met die grote donkere ogen, ze had geen één keer haar blik afgewend, niet onder hem, niet boven op hem, en niet toen ze daarna op zijn borst had gelegen en met haar vingertoppen langs de stoppels op zijn kaaklijn kroelde. Dat kon ze niet gespeeld hebben.
            Zijn telefoon trilde op het hout. Meteen pakte hij hem op. Geen WhatsApp. Geen Amber. Het was een melding van Sjauf: iemand die gedronken had wilde van Noordwijk in zijn eigen auto naar Amsterdam gebracht worden.
            Dit was iets wat Amber niet van hem wist; hij wilde niet dat ze wist dat hij niet genoeg met schrijven verdiende om rond te komen en dat hij het chaufferen er daarom naast deed. Voor haar was hij de succesvolle schrijver. Een succesvolle schrijver die al dagen niet meer geschreven had… Hij kon beter iets nuttigs doen, iets waarmee hij wel geld verdiende. Hij schreef zich in op de oproep, trok een trui aan, pakte een croissant en vertrok naar de tramhalte.

Vanaf de bushalte in Noordwijk aan Zee was het nog een klein stukje lopen naar het strand.  Het was inmiddels bijna zes uur, de lage herfstzon weerkaatste op het water en gaf de lucht een wazige gloed. Vincent genoot van de frisse lucht, nu pas werd hij goed wakker. Hij nam zich voor om Amber hier binnenkort mee naar toe te nemen, hij zou het haar niet vragen, hij zou haar geen kans geven om nee te zeggen, hij zou haar gewoon meenemen. 
            Toen hij aankwam op de parkeerplaats van de strandtent, controleerde hij de gegevens op zijn telefoon. Beachclub Sandy, ja, hij stond op de juiste plek. Zijn klant was er nog niet.
            Net op het moment dat hij naar het terras wilde gaan om te kijken of hij daar zat, verschenen een man en een vrouw om de hoek van de strandtent. De man duwde de vrouw tegen de muur, ze zoenden, de dronken soort, ongecontroleerd en onhandig. En kort, want de man draaide zich alweer om en zonder de vrouw nog aan te kijken liep hij wankel Vincents kant op. De vrouw trok haar opgekropen shirtje naar beneden en verdween weer om de hoek.
            ‘Ben jij mijn chauffeur?’ vroeg de man toen hij Vincent zag. Hij had een volle bos grijze krullen, de air van een zelfverzekerde man, van iemand die het gemaakt had, het maakte hem groter dan hij was. Maar zijn ogen stonden vriendelijk – zacht en ietwat spottend.
            ‘Ja. Ik ben Vincent.’
            ‘Harold.’ Een stevige handdruk.
            ‘Naar Amsterdam, toch?’
            ‘Klopt. De Pijp.’
            ‘Leuke buurt. Waar staat je auto?’
            ‘O ja … ja, goede vraag. God.’ Hij streek met zijn hand door zijn dikke haren. Keek rond over de parkeerplaats. ‘Hier ergens.’ Hij maakte een weids gebaar met zijn armen, en lachte. Een oprechte lach.
            ‘Wat is het voor auto? Dan help ik je zoeken.’
            ‘Een Tesla.’
            ‘Die heb ik gezien. Mooi ding. Die kant op.’ Hij ging de man voor richting de elektrische oplaadpalen, richting de Tesla die hem meteen was opgevallen toen hij van de bushalte aan was komen lopen.
            ‘Ha, ja dat is hem. Hier heb je de sleutels.’ De man gooide ze naar hem toe.
            De sleutels van een Tesla, en dat als schrijver, dacht hij. Wat zou hij Amber hier graag in willen rondrijden. Volgens hem – al ontkende ze dat zelf – hield ze van die luxe.
            ‘Gek om aan deze kant in te stappen.’ De man opende de deur van de passagierskant.  
            ‘Voor mij ook,’ zei Vincent. ‘Rijden in een Tesla stond nog op mijn bucket list.’
            De man lachte. ‘Geniet ervan.’ Hij liet zich in de stoel zakken, met iets te veel vaart, en viel daardoor met zijn elleboog op de handrem. ‘Ho,’ verontschuldigde hij zich, ‘die wijntjes.’
            Toen ze allebei hun gordels om hadden, reed Vincent weg. De Tesla gleed over het asfalt.    
            ‘Ga maar niet te snel door de bochten. Ik ben misselijk.’
            ‘Leuke middag gehad?’
            ‘Ja …’ De man zei verder niets, schudde alleen een paar keer zijn hoofd. Vincent vroeg zich af of de man wist dat hij hem gezien had.
            ‘Kom je vaak in – ’
            ‘Vroeger dacht ik,’ onderbrak de man hem, ‘dat als je ouder werd, vrouwen minder invloed op je zouden hebben. Ik bedoel, we zijn geen pubers meer, we zouden volledige controle moeten hebben over onze daden.’
            Vincent bleef stil, maar de man leek iets van hem te verwachten, hij keek met opgetrokken wenkbrauwen naar zijn luisteraar in afwachting van een teken dat hij zijn volledige aandacht had.
            ‘Maar?’ vroeg Vincent daarom.
            ‘Dat is bullshit,’ ging de man verder. ‘Het wordt alleen maar erger. Je wordt niet rustiger. In tegendeel. Hoe ouder, hoe onrustiger. Want de tijd dat je er nog goed uit ziet en dat vrouwen je charmant vinden verdwijnt steeds sneller. Je hoort de minuten weg tikken, tik, tik. En daarom doe je er alles aan om dat geluid zo min mogelijk te horen. Begrijp je wat ik bedoel?’
            ‘Niet hele –’
            ‘Je wilt de tijd die je nog hebt zo goed mogelijk besteden. Ook al wordt het je fataal.’
            ‘Wat wordt je fataal?’
            ‘Vrouwen. Luister niet naar de navigatie, je kunt hier beter rechtdoor.’ De man bleef even stil en slikte een paar keer hoorbaar.  
            ‘Ken je dat?’ vroeg hij toen.
            ‘Wat?’
            ‘Ze, eigenlijk. Fatale vrouwen. Ken je ze?’
            Hij dacht aan Amber. Natuurlijk.
            ‘Ik ben verliefd op één.’
            ‘Vertel.’ De man bleef strak voor zich uit kijken, zijn hand om de greep boven zijn raam, zijn ogen op de weg gericht, hij volgde elke beweging, waarschijnlijk om te voorkomen dat hij over zou geven in zijn eigen Tesla.
            ‘Ik wil dat ze mijn vriendin wordt. Zij wil het rustig aan doen. Ze is bang, volgens mij. Ze houdt alles af. Als ik haar vaker wil zien, rent ze weg. Als ik me rustig houd, komt ze iets dichterbij, precies genoeg voor mij om weer volledig in haar ban te raken. Ze maakt me helemaal gek. En als dat nog lang zo doorgaat wordt het me fataal. Wordt zij me fataal. Hier links?’
            ‘Ja.’
            Vincent sloeg af.
            ‘Rustig door de bocht.’ De man sloeg zijn hand voor zijn mond en boerde zacht.  
            ‘Sorry.’
            ‘Mag ik je een advies geven? Over die fatale vrouw van je?’
            ‘Graag,’ zei hij. Liever niet, dacht hij.
            ‘Ze wil juist dat je dichterbij komt. Ook al laat ze dat niet zien. Ze is bang, zoals je zegt. Jij moet dat niet zijn. Het is een verdedigingsmechanisme. Ze heeft een muur gebouwd om niet gekwetst te worden. Jij moet die muur doorbreken. Daar wacht ze op. Ze test of je mans genoeg bent om er doorheen te beuken. Als je dat niet doet en te lang wacht, dan gebruikt ze het als excuus. Als bevestiging. Zie je wel, hij vindt me niet leuk genoeg, zie je wel, ik ben niet de moeite waard. Ze zal het gebruiken om een nog hogere muur mee te bouwen.En dan gaat ze op zoek naar iemand anders. Iemand die het wel aandurft om die nog hogere muur te doorbreken.’
            Vincent zei niets. De man had gelijk, de dronken man had gelijk.
            ‘God, dit heb ik nu elke keer als ik gedronken heb. Dan ga ik de amateurpsycholoog uithangen.’
            ‘Volgens mij heb je gelijk.’
            ‘Ja, dat wel. Dat heb ik altijd. Vooral als het om vrouwen gaat.’ De man lachte. ‘Hier de hoek om, dan zijn we er. Hoe kom jij zo thuis?’
            ‘Ik woon redelijk in de buurt. Twee haltes met tram 24 en dan ben ik er.’
            Vincent parkeerde de auto, ze stapten beiden uit. De man streek over zijn kleren, de gewoonte van een zakenman die zijn pak glad wil houden, al droeg hij nu een korte broek met linnen blouse. Vincent gaf hem de autosleutel terug.
            ‘Bedankt.’ De man sloeg hem tegen zijn bovenarm. ‘Leuk gesprek ook. Ga achter die vrouw van je aan. Anders is iemand anders je voor.’
            ‘Ga ik doen. Jij ook bedankt.’
            ‘Shit.’ De man klopte op zijn broekzakken, voor en achter, en zocht in het duidelijk lege borstzakje van zijn blouse. ‘Ik heb mijn huissleutels op tafel laten liggen in de strandtent. Blijf nog heel even. Dan bel ik aan. Als het goed is, is mijn vrouw weer thuis. Ze was een nachtje weg met haar werk.’
            ‘Je vrouw?’ Vincent dacht aan de vrouw tegen het muurtje.
            ‘Ja, fatale vrouwen…’ Hij haalde zijn schouders op, trok zijn linker mondhoek naar beneden, alsof het hem allemaal overkwam. 
             ‘Ik zal even wachten.’ Vincent leunde tegen de Tesla terwijl de man aanbelde en pakte zijn telefoon om Amber een berichtje te sturen. Hij moest het meteen doen, anders durfde hij niet meer, anders zou de angst om haar kwijt te raken de overtuiging die deze man hem gegeven had weer overnemen. Hij typte een berichtje en zonder het na te lezen drukte hij op verzenden. Ik vind je leuk. Jij mij ook. Dat weet ik. Dus kom vanavond langs:).
           
Er was nog geen beweging bij de deur. De man belde een tweede keer aan.
Amber kwam online. De vinkjes van WhatsApp werden blauw, ze las het, op dit moment las ze het. Ze typte. Bleef typen. Stopte en ging weer offline. Reageerde niet. Nog niet, in ieder geval. Vincent stopte zijn telefoon weg.
            ‘Ik hoor gerommel,’ zei de man. De deur ging open. ‘Ze is er, hoor.’ De man keek nog één keer achterom naar Vincent.
            Vincent keek naar de deuropening.
            Naar Amber. En de telefoon in haar hand.

Dit verhaal delen?
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *